Kinderen

 

En een vrouw, die een kindje aan haar boezem drukte,
 zei tegen de profeet: Spreek ons over kinderen.
      
  
En hij zei:
    
Je kinderen zijn je kinderen niet. 
Zij zijn de zonen en dochters van 's levens 
hunkering naar zichzelf. 
  
Zij komen door je, maar zijn niet van je, 
en hoewel ze bij je zijn, behoren ze je niet toe. 
Je mag hun je liefde geven, maar niet je gedachten, 
want zij hebben hun eigen gedachten. 
Je mag hun lichaam huisvesten, maar niet hun ziel, 
want hun ziel toeft in het huis van morgen, dat je niet 
bezoeken kunt, zelfs niet in je dromen. 
  
Je mag proberen hun gelijk te worden,
maar tracht niet hen aan je gelijk te maken, 
want het leven gaat niet terug,
nog blijft het dralen bij gisteren. 
Jullie bent de bogen, waarmee je kinderen
als levende pijlen worden weggeschoten. 
    
De boogschutter ziet het doel op de weg van het
oneindige en hij buigt je met zijn kracht,
opdat zijn pijlen snel en ver zullen vliegen. 
  
Laat het gebogen worden door de hand van de 
boogschutter een vreugde voor je zijn: 
want zoals hij de vliegende pijl lief heeft, 
zo mint hij ook de boog die standvastig is.